Hoort dit stuk in mijn boek? 5 vragen om te kiezen wat je wel en niet schrijft
Je hebt herinneringen, dagboekfragmenten, losse scènes en misschien wel honderden pagina's vol geschreven. Dan begint de worsteling: wat moet er in mijn boek en wat niet?

Je hoeft niet alles te vertellen om een compleet verhaal te schrijven. Een goed boek ontstaat niet doordat je alles wat je hebt verzameld een plek geeft. Het ontstaat doordat je leert kiezen. Wat laat je staan? Wat mag eruit? Waar moet je juist op inzoomen?
Om te voorkomen dat je drie boeken in één propt, kun je jezelf 5 vragen stellen:
1. Dient dit stuk mijn boodschap?
Een boek is geen verzameling mooie of heftige verhalen. Elk onderdeel moet bijdragen aan waar het boek uiteindelijk over gaat.
Bedenk dus telkens: welk punt wil ik met dit stuk maken? Welke functie heeft het in mijn boek? Voegt het iets toe aan mijn boodschap, aan de sfeer, ontwikkeling of verdieping?
Belangrijk hierbij: je hoeft niet van tevoren te weten wat je punt is. Vaak ontdek je dit juist tijdens het schrijven. Dan hoeft dat stuk misschien niet in je boek, maar was het wel nodig om het op papier te zetten.
2. Dient dit stuk de lezer?
Toen ik Zonder verwachting schreef, begon ik bij mijn eerste serieuze relatie, toen ik achttien was. In eerste instantie schreef ik vooral op wat voor míj belangrijk was. Daarna zette ik een andere bril op: die van mijn lezer.
Want wat voor mij betekenisvol is, hoeft dat voor een lezer helemaal niet te zijn. Zo schreef ik bijvoorbeeld uitgebreid over zijn familie. Logisch vanuit mijn eigen perspectief; zij maakten deel uit van die periode. Maar voor de lezer voegden die details nauwelijks iets toe aan het verhaal dat ik uiteindelijk wilde vertellen.

Dit is een belangrijk onderscheid als je een persoonlijk boek schrijft: jouw boek gaat over jouw ervaring, maar is niet alleen voor jou.
Je mag dus alles opschrijven wat voor jou belangrijk is. Sterker nog: in de eerste schrijffase is het vaak juist goed om jezelf daarin niet te veel te beperken. Maar daarna komt het moment van kiezen.
Wat heeft de lezer nodig om mijn verhaal te begrijpen? Wat helpt de lezer om mee te voelen, iets te ontdekken of zichzelf ergens in te herkennen? Wat moet de lezer hier ervaren, begrijpen of voelen?
Als het antwoord op die laatste vraag vooral is: Ik wil dat ze eindelijk begrijpen waarom ik…, dan voorzie je meer in je eigen behoefte dan in die van je lezer. Dan probeer je iets te bewijzen.
Je herkent dit aan woorden als 'echt', 'heel', 'erg', 'verschrikkelijk'. Niet omdat je die woorden nooit mag gebruiken, maar omdat ze je verleiden om de lezer te vertellen hóe iets was, in plaats van het te laten ervaren.
Je hoeft de lezer niet te overtuigen van jouw verhaal.
Je mag het zo helder vertellen dat het zichzelf bewijst.
3. Dient dit stuk mij?
Sommige stukken heb je te schrijven voor jezelf. Als verwerking.
Maar niet alles wat je moet schrijven, hoeft uiteindelijk in je boek.
Wanneer je een gevoelig stuk vermijdt, zal de lezer dit echter merken. Je tekst wordt algemeen, je draait eromheen.
Zodra je het hebt uitgewerkt, kun je makkelijker kiezen wat je ervan in je boek opneemt. En bijkomend voordeel: je kunt ook gemakkelijker praten over dat moeilijke onderwerp, omdat het je nu minder raakt.
4. Wie raak ik met dit stuk?
Je schrijft over jouw ervaring, maar daarmee schrijf je ook over andere, echte mensen. Je kunt niet helemaal voorkomen dat je hen raakt en je wil zeker niet met de rem erop schrijven. Maar je hebt als schrijver wel verantwoordelijkheid voor de mensen die je noemt in je boek.
(Lees ook het blog: Hoe eerlijk mag je zijn in een boek? Wat je moet weten als je over echte mensen schrijft.)
Vraag je hierbij af: ben ik iemand iets aan het verwijten?
Ze zeggen weleens: als je één vinger naar een ander wijst, dan wijzen er vier naar jezelf. Houd het perspectief zo dicht mogelijk bij jouw eigen ervaring. Wat deed jij? Wat dacht jij? Wat voelde jij? Laat zien wat de ander deed en laat de interpretatie zoveel mogelijk aan de lezer.
5. Voegt het echt iets toe?
Eén sterk uitgewerkte scène zegt meer dan drie algemene voorbeelden.
Bedenk weer welk punt je wil maken. Voegt dit stuk iets nieuws toe? Raakt het een ander aspect van je boodschap? Of zeg je eigenlijk drie keer hetzelfde?
Zodra je merkt dat je uitgebreid aan het uitleggen bent, is dit een teken dat je jezelf probeert te verdedigen. Kijk hoe je het kan laten zien.
En misschien wel de belangrijkste vraag: wie kan met me meekijken?
Alles mag op papier. Niet alles hoeft in je boek.
Juist daarom is het belangrijk om schrijven en kiezen niet door elkaar te halen. Eerst mag je schrijven wat er komt. Daarna kijk je met een andere bril: wat heeft mijn boek nodig?

Die vraag kun je niet altijd zelf beantwoorden. Elke schrijver heeft blinde vlekken voor zijn eigen verhaal. Helemaal wanneer je schrijft over iets wat je zelf hebt meegemaakt. Dan is het lastig om nog zuiver te zien hoe jouw verhaal bij een lezer binnenkomt.
Een goede schrijfcoach kijkt daarom niet alleen naar wat je hebt geschreven, maar ook naar wat er nog niet staat.
Ik zie ook de stukken die je nog ontwijkt.
Vaak zijn dat de stukken waar je boek op vastloopt én waar de diepste laag van je verhaal te vinden is.
Wil je ontdekken wat jouw boek nog nodig heeft om echt de diepte in te gaan?


Opmerkingen